Angstig word ik wakker. Mijn vrouw zit op de rand van mijn bed en schudt aan me. ‘Ze zijn weer bezig,’ zegt ze. Ik ga naar het raam. Al hun lampen zijn aan, boven en beneden, alsof ze het geld voor het verbranden hebben. Hij schreeuwt, zij gilt iets terug, de hond blaft. Even is het stil, dan huilt de baby, arm ding. ‘Ga daar maar niet staan,’ zegt mijn vrouw. ‘Straks zien ze je nog.’ Ik zeg: ‘Ik ga de politie bellen,’ wetende dat ze dat niet hebben wil. ‘Niet doen,’ zegt ze. Ze is bang dat ze onze kat zullen vergiftigen als we klagen. De man van hiernaast is nog steeds aan het schreeuwen, maar door de hond en de baby kan ik niet verstaan wat hij zegt. De vrouw lacht, niet echt van harte: ‘Ha! Ha! Ha!’ en geeft plotseling een korte doordringende gil. Het wordt doodstil. ‘Hij heeft haar geslagen,’ zegt mijn vrouw. ‘Ik voelde het, net alsof hij mij sloeg.’ De baby van hiernaast jammert langdurig en de hond slaat ook weer aan. De man loopt zijn pad op en smijt de deur achter zich dicht. ‘Voorzichtig,’ zegt mijn vrouw. Ze kruipt weer in haar bed en trekt de dekens tot haar nek. De man mompelt in zichzelf en rukt aan zijn gulp. Ten slotte krijgt hij hem open en loopt naar ons hek. Het is een hek van witte paaltjes, meer voor de sier dan voor iets anders. Het kan niemand tegenhouden. Ik heb het zelf geplaatst en er over de hele lengte kamperfoelie en bougainville langs geplant. Mijn vrouw vraagt: ‘Wat doet hij?’ ‘Sst,’ zeg ik. Hij leunt met zijn ene hand tegen het hek en gaat met de andere op de bloemen naar de wc. Zo loopt hij het hele hek langs, zonder er eentje over te slaan. Als hij klaar is, schudt hij Florida uit, doet de rits weer dicht en loopt terug over het pad. Hij glijdt bijna uit over het grind, maar hij herstelt zich en vloekt en gaat het huis binnen, de deur weer met een klap dichttrekkend. Als ik me omdraai, ligt mijn vrouw voorover geleund naar me te kijken. Ze trekt haar wenkbrauwen op. ‘Niet weer,’ zegt ze. Ik knik. ‘Met hem en die hond is het een wonder dat daar nog wat wil groeien.’ Ik zou het liever over iets anders hebben. Ik word treurig als ik aan de bloemen denk. De vrouw van hiernaast schreeuwt. ‘Moet je horen,’ zeg ik. ‘Eerst had ik met haar te doen,’ zegt mijn vrouw. ‘Nu niet meer. Niet na vorige maand.’ ‘Mijn idee,’ zeg ik, terwijl ik me probeer te herinneren wat er vorige maand is gebeurd. Ik heb ook niet met haar te doen, maar dat heb ik nooit gehad. Ze schreeuwt tegen de baby en neem me niet kwalijk, maar ik ga niet sentimenteel worden over iemand die zo tegen een kind doet. Ze gilt dingen als: ‘Ik had toch gezegd dat je in je kamertje moest blijven!’ en dat tegen een baby die nog niet eens kan praten. Wat haar uiterlijk betreft, ze is best knap om te zien. Maar dat zal niet lang duren. Haar botstructuur is niet goed. Ze heeft iets weeks over zich, alsof ze nooit wat anders heeft gegeten dan donuts en milkshakes. Haar huid is wit. De baby lijkt op haar, maar je kan moeilijk verwachten dat die op hém lijkt, donker en harig. Zelfs met zijn overhemd aan weet je dat zijn rug en schouders onder het haar zitten, van dat dikke en springerige airedalehaar. Nu gaan ze daar allemaal tegelijk tekeer en ze hebben ook de stereo nog keihard aanstaan. Zo’n band. ‘Ik heb wel met die baby te doen,’ zeg ik. Mijn vrouw drukt haar handen tegen haar oren. ‘Dit hou ik geen minuut langer uit,’ zegt ze. Ze haalt haar handen weer weg. ‘Misschien is er iets op tv.’ Ze gaat rechtop zitten. ‘Kijk eens wie er bij Johnny Carson is.’ Ik zet de televisie aan. Die stond altijd in de studeerkamer, maar ik heb hem een paar jaar geleden naar boven gehaald toen mijn vrouw ziek werd. Ik verpleegde haar zelf – kookte het eten en de hele rataplan. Op het laatst kon ik zelfs de lakens verschonen terwijl zij nog in bed lag. Ik was altijd van plan de televisie weer beneden te zetten als mijn vrouw van haar ziekte was hersteld, maar dat is er nog nooit van gekomen. Hij staat tussen onze bedden op een tafeltje dat ik heb gemaakt. Johnny zegt iets tegen Sammy Davis jr. Ed McMahon ligt dubbel van het lachen. Die is altijd zo vrolijk. Als je echt een heel lange reis zou gaan maken, zou je slechter gezelschap kunnen treffen dan Ed McMahon. Mijn vrouw wil weten wat er verder nog is. ‘“El Dorado”,’ lees ik. ‘“Pittig avonturenverhaal over een groep inwoners op zoek naar de legendarische goudstad”. Er staat tweeënhalve ster bij.’ ‘Inwoners waarvan?’ vraagt mijn vrouw. ‘Dat staat er niet bij.’ Ten slotte kijken we naar de film. Een blinde komt aan in een stadje. Hij zegt dat hij in El Dorado is geweest en dat hij daar een expeditie heen wil leiden in ruil voor een deel van de opbrengst. Hij kan ze niet zien, maar onder het rijden zal hij de oriëntatiepunten stuk voor stuk opnoemen. Eerst lachen de mensen hem uit, maar uiteindelijk komen alle vooraanstaande inwoners bij elkaar en besluiten het erop te wagen. Ze worden onmiddellijk aangevallen door de Apaches en sommigen willen omdraaien, maar elke keer als ze daartoe aanstalten maken noemt de blinde weer een oriëntatiepunt, zodat ze maar doorrijden. De vrouw van hiernaast gaat door het lint. Ze zegt dingen tegen hem die geen mens ooit tegen een ander mens zou mogen zeggen. Mijn vrouw wordt er onrustig van. Ze kijkt naar me. ‘Mag ik bij je komen?’ vraagt ze. ‘Alleen maar even op bezoek?’ Ik sla de dekens terug en ze kruipt erin. Het bed is prima voor één, maar met z’n tweeën is het een krappe bedoening. We liggen op onze zij, ik als achterste. Het is niet mijn bedoeling, maar het duurt niet lang of de oude Florida wordt vanzelf stijf. Ik sla mijn armen om mijn vrouw heen. Ik laat mijn handen omhooggaan naar de Rocky’s en dan omlaag over de vlakte naar het zuiden. ‘Hé,’ zegt ze. ‘Geen aardrijkskunde. Vanavond niet.’ ‘Sorry,’ zeg ik. ‘Kan ik niet alleen even op bezoek komen?’ ‘Laat maar. Ik zei toch sorry?’ De inwoners steken een woestijn over. Ze hebben praktisch geen water meer en hun lippen zijn gebarsten. Hoewel de blinde hen heeft gewaarschuwd, drinkt iemand uit een vergiftigde bron en komt gruwelijk aan zijn eind. Die avond, rond het kampvuur, beginnen de anderen ruzie te maken. De meesten willen naar huis. ‘Dit is geen gebied voor een blanke,’ zegt er een, ‘en als je het mij vraagt, is hier nog nooit iemand geweest.’ Maar de blinde beschrijft een stuk goud dat zo groot en zuiver is dat je ogen verbranden als je er rechtstreeks naar kijkt. ‘Ik kan het weten,’ zegt hij. Als hij is uitgesproken, zijn de inwoners stil: een voor een staan ze op en gaan op hun opgerolde beddengoed liggen. Ze leggen hun handen onder hun hoofd en kijken omhoog naar de sterren. Er huilt een coyote. Bij het horen van de coyote herinner ik me waarom mijn vrouw niet met de vrouw van hiernaast te doen heeft. Het was op een maandagavond, ongeveer een maand geleden, vlak nadat ik van mijn werk was gekomen. De man van hiernaast begon de hond te slaan, en dan bedoel ik niet een of twee petsen. Hij sloeg hem en bleef hem slaan tot de hond niet eens meer kon janken; je hoorde de stem van het arme beest breken. Ten slotte hield het op. Toen, een paar minuten later, hoorde ik mijn vrouw ‘O!’ zeggen en ik ging naar de keuken om te kijken wat er was. Ze stond bij het raam, vanwaar je in de keuken van hiernaast kunt kijken. De man had zijn vrouw met haar rug tegen de ijskast gedreven. Hij had zijn knie tussen haar benen en zij had haar knie tussen zijn benen en ze waren aan het zoenen, en niet zo’n beetje ook. Tot een paar uur daarna kon mijn vrouw amper een woord uitbrengen. Later zei ze dat ze haar medeleven nooit meer aan die vrouw zou verspillen. Het is rustig daar. Mijn vrouw is in slaap gevallen, net als mijn arm, die onder haar hoofd ligt. Ik trek hem eronderuit en open en sluit mijn vingers, me afvragend of ik haar wakker zal maken. Ik slaap graag in mijn eigen bed en er is niet genoeg ruimte voor ons tweeën. Uiteindelijk besluit ik dat het geen kwaad kan om voor één nacht van plaats te ruilen. Ik sta op en rommel een tijdje met de planten, geef ze water en schuif sommige naar het raam en andere ervandaan. Ik knip de siernetel bij, die begint door te schieten, en zet de stekjes in een glas water op de vensterbank. Al het licht hiernaast is uit, behalve achter hun slaapkamerraam. Ik denk na over het leven dat ze leiden en hoe dat zich maar voortsleept totdat het lijkt op het leven waartoe ze zijn voorbestemd. Iedereen zegt altijd dat het zo fantastisch is dat de mens zich zo goed kan aanpassen, maar dat weet ik nog niet zo net. In Istanbul zag een vriend van mij een man over straat lopen met een concertvleugel op zijn rug. Iedereen liep gewoon om hem heen en vervolgde zijn weg. Afschuwelijk waar we niet allemaal aan wennen. Ik zet de televisie uit en stap in het bed van mijn vrouw. Haar geur stijgt zoet en zwaar op van de lakens. Ik word er een beetje duizelig van, maar ik vind het wel lekker. Het doet me aan gardenia’s denken. De reden waarom ik de film niet uitkijk, is dat ik al weet hoe hij afloopt. De inwoners zullen elkaar afmaken, waarschijnlijk op maar drie meter afstand van de legendarische goudstad,en de blinde zal in zijn eentje El Dorado binnenstrompelen, zonder te beseffen dat hij het opnieuw heeft gehaald. Ik zou wel een betere film kunnen schrijven. Mijn film zou over een groep ontdekkingsreizigers gaan, mannen en vrouwen, die hun huis en hun werk en hun gezin achterlaten – alles wat ze ooit hebben gekend. Ze steken de zee over en lijden schipbreuk op de kust van een land dat niet op hun kaarten staat. Een van hen verdrinkt. Een ander wordt aangevallen door een wild dier en opgegeten. Maar de rest wil verdergaan. Ze waden door rivieren en steken met een hondenslee een enorme gletsjer over. Dit duurt maanden. Op de gletsjer raken ze door hun voedsel heen en even ziet het ernaar uit dat ze zich op elkaar zullen storten, maar dat gebeurt niet. Uiteindelijk lossen ze hun probleem op door de honden op te eten. Dat is het droevige deel van de film. Aan het eind zien we de ontdekkingsreizigers slapen in een wei vol witte bloemen. De bloemblaadjes zijn nat van de dauw en kleven aan hun lichaam, akelei, clematis, liatris, bruidssluier, ridderspoor, iris, wijnruit – ze zijn er van top tot teen mee bedekt en zien helemaal wit, zodat je hen niet meer van elkaar kunt onderscheiden, man niet van vrouw, vrouw niet van man. De zon komt op. Ze gaan staan en steken hun armen in de lucht, als witte bomen in een land waar nog nooit iemand is geweest.